Over RSV

Algemeen

Het onderwijs is bestemd voor kinderen van 4 tot en met 12 jaar. Afhankelijk van de individuele mogelijkheden van een kind kan deze periode korter of langer duren. Het onderwijs leidt ertoe dat zoveel mogelijk kinderen een goede kans van slagen hebben binnen één van de vormen van regulier voortgezet onderwijs. De organisatie van het onderwijs bij de scholen van de RSV kenmerkt zich door het zgn. leerstofjaarklassensysteem. Het leerstofjaarklassensysteem biedt zowel de leerling als de leraar overzichtelijkheid en zekerheid en blijkt steeds de meest effectieve manier van onderwijs geven te zijn. Het leerstofjaarklassensysteem werkt optimaal als er zoveel mogelijk sprake is van homogene groepen. Om dat te bewerkstelligen zal aan de verdeling van de leerlingen over de groepen de leeftijd van de kinderen ten grondslag liggen. Echter bij de plaatsing van leerlingen in de groepen wordt niet alleen gekeken naar de leeftijd van de kinderen; ook het ontwikkelingsniveau van het kind speelt een belangrijke rol. Bijvoorbeeld voor een kind dat aan het eind van groep 2 nog niet voldoet aan reken- en/of leesvoorwaarden kan de kleuterperiode met een jaar worden verlengd.

Binnen het leerstofjaarklassensysteem wordt, na een gezamenlijke instructie en verwerking van de basisstof, gestreefd naar doelmatige differentiatie. Bij de basisvakken heeft differentiatie reeds vorm gekregen (verrijkingsstof en herhalingsstof bij rekenen/wiskunde en Nederlandse taal). De teams zullen blijven zoeken naar wegen om differentiatie te intensiveren en uit te breiden. Deze ontwikkeling leidt niet tot het verlaten van het leerstofjaarklassensysteem. De leerlingen voeren een deel van het schoolwerk zelfstandig uit. Dit zelfstandig werken is niet alleen een doel op zichzelf. Als leerlingen zelfstandig werken, wordt de leraar in staat gesteld op bepaalde momenten individuele leerlingen of groepjes kinderen extra aandacht te geven en leren de leerlingen omgaan met uitgestelde aandacht en met het plannen van hun werk.

Ouders noemen het niveau van het onderwijs op de RSV vaak hoog. Kennelijk wordt dan bedoeld, dat hetgeen uiteindelijk met de leerlingen bereikt wordt, meer is dan de minimumdoelstellingen aangeven. Er wordt ook gerefereerd aan de uitslagen van de entree- en eindtoets van het CITO, alsmede aan de doorstroom van leerlingen naar vnl. VWO en HAVO. Dit zegt vanzelfsprekend niet alles over de kwaliteit van het onderwijs. Of de kwaliteit van het onderwijs ook werkelijk hoog te noemen is, zal moeten blijken uit resultaten van evaluaties van het onderwijsprogramma en het welbevinden van de leerling op school, waarbij niet alleen aan de ‘cijfers’ conclusies worden verbonden.

In het recente verleden stroomden de leerlingen van de RSV veelal door naar hogere vormen van voortgezet onderwijs, zoals het HAVO en het VWO. Door de kwaliteit van het onderwijs hoog te houden zal dat in de toekomst ook zo zijn. Echter, doorstroom naar HAVO of VWO is geen doel op zichzelf. Het basisonderwijs bij de RSV is goed, als de leerling in een prettige leeromgeving zich veilig voelt, op een effectieve manier zoveel mogelijk bruikbare kennis en vaardigheden verwerft en doorstroomt naar een vorm van voortgezet onderwijs waar hij op zijn plaats is, ook als dat niet het HAVO of het VWO is.

Verzwaring van het programma, huiswerkbegeleiding en de aanwezigheid van vakleraren zijn belangrijke factoren, die bijdragen tot meer kwaliteit. In de toekomst zal bij de invoering van nieuwe methoden worden gestreefd naar handhaving van of zelfs naar meer kwaliteit. Als nieuwe methoden wat dat betreft een steek laten vallen, dan zullen

de methoden worden aangepast en/of aangevuld. Ook de aanwezigheid van vakleraren zal worden gehandhaafd.

Meer concreet

De leerstof wordt duidelijk en overzichtelijk verdeeld over vakgebieden en vervolgens over de acht leerjaren. Een les kent doorgaans een klassikale inleiding en instructie, die voor ieder kind gelijk is. Daarna verwerken de leerlingen het geleerde. De methodes, voor de belangrijkste vakken als rekenen en Nederlandse taal, bieden in eerste instantie verwerkingsstof die voor alle leerlingen van de klas gelijk is, de basisstof. Daarnaast kan de leraar gebruik maken van differentiatiemogelijkheden. Heeft een leerling de basisstof af dan kan hij verder met herhalings- dan wel verrijkings-/verdiepingsstof, afhankelijk van het niveau en de mogelijkheden van het kind.

Visie op het onderwijs aan het jonge kind

Het leerstofjaarklassensysteem werkt in de kleuterbouw, de groepen 1 en 2, vanzelfsprekend anders. Het ontwikkelen van denkvermogen, de Nederlandse taal en motoriek vindt in samenhang plaats aan de hand van thema’s in spel-, speel- en leersituaties. De RSV kiest bewust niet voor bijvoorbeeld structureel leesonderwijs in de kleuterbouw. Alle leerlingen maken een gezamenlijke start met lezen, schrijven en rekenen in groep 3. Voor wat  betreft het onderwijs aan het jonge kind kiest de RSV voor een integratieve visie. Dat wil zeggen dat in die visie elementen terug te vinden zijn uit drie stromingen die in het onderwijs aan het jonge kind worden onderscheiden (ervaringsgericht onderwijs, basisontwikkeling en programmagericht onderwijs).

In de groepen 1 en 2 staat basisontwikkeling centraal. Hierin wordt uitgegaan van de ontwikkeling van de kinderen. Kernbegrippen zijn: persoonlijkheidsontwikkeling, emancipatie en het werken met ontwikkelingsdoelen. Er is sprake van een natuurlijke doorloop in vak- en vormingsgebieden, waarin ook elementen van de sociaal-culturele wereld, waar van de kinderen deel uitmaken, een rol spelen. Basisontwikkeling is gericht op brede ontwikkeling (actief zijn, initiatieven nemen, communicatie, het verkennen van de wereld, reflectie op eigen gedrag, redeneren en problemen oplossen), ontwikkeling van specifieke kennis en vaardigheden (motoriek, waarnemen en ordenen, woorden en begrippen, geschreven en gedrukte taal) en ontwikkeling van voorwaardelijke basiskenmerken van kinderen (nieuwsgierigheid aanmoedigen, zelfvertrouwen en een gezond zelfbeeld hebben). In groep 1 zijn ook duidelijk elementen van ervaringsgericht onderwijs terug te vinden. Te denken valt aan tegemoetkoming aan exploratiedrang en betrokkenheid. Deze tegemoetkoming krijgt een plaats in het totale onderwijs op de RSV. In groep 2, als overgang naar groep 3, wordt gewerkt met elementen van programmatisch werken. Dit omdat het onderwijs op de RSV zich kenmerkt door een vast onderwijsaanbod met duidelijke omschrijvingen van de inhoud en doelen. In groep 3 wordt een overgang gemaakt naar meer programmatisch werken met duidelijke elementen van basisontwikkeling. Dit niet alleen om de overgang van groep 2 naar groep 3 te versoepelen, maar ook om de verworvenheden van basisontwikkeling vast te houden.

Onderwijs aan de oudere kinderen

De leerstof wordt duidelijk en overzichtelijk verdeeld over vakgebieden en over de acht leerjaren. Bij die verdeling over de acht leerjaren wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met wat het kind aankan en met de belevingswereld van het kind. Eén van de belangrijkste vakgebieden is natuurlijk de Nederlandse taal.

Op school wordt het vak gesplitst in:

  • technisch en begrijpend lezen
  • spreken en luisteren
  • technisch schrijven
  • spellen, stellen
  • ontleden

In de kleuterbouw wordt hard gewerkt om de kleuters te laten voldoen aan de leesvoorwaarden. Ze moeten een aantal begrippen kennen. Ze moeten begrijpen dat er teksten zijn die blijkbaar gelezen kunnen worden en waaraan zin gegeven kan worden. Ook wordt vaak geoefend met begrippen als klein, groot, lang, kort, links, rechts, klank, woord, zin, enz.

In groep 3 gaan de leerlingen daadwerkelijk leren lezen. De eerste fase van het leesonderwijs wordt aanvankelijk lezen genoemd. Iedere dag leren de kinderen een woord als geheel. Ze ontdekken dat zo’n woord uit klanken bestaat en dat de geschreven Nederlandse taal voor die klanken symbolen – zeg maar letters – kent. Met andere woorden ze analyseren het geleerde woord.

Vanaf groep 4 worden de leesvorderingen van de leerlingen nauwkeurig gevolgd. In de groepen 4 t/m 8 wordt eveneens structureel technisch gelezen. Langzaam, maar zeker wordt vanaf groep 4, naast technisch lezen aandacht besteed aan het begrijpend en studerend lezen. Of een kind de gelezen tekst begrijpt, wordt onderzocht door er mondeling of schriftelijk vragen over te stellen. Ook wordt naar aanleiding van teksten gediscussieerd of worden opdrachten uitgevoerd.

Een ander aspect van het onderwijs in de Nederlandse taal is het spreken, luisteren, stellen, spellen en het ontleden. Men zou kunnen zeggen: onderwijs in het mondeling en schriftelijk taalgebruik. In groep 3 wordt het schriftelijk taalonderwijs gegeven in nauwe samenhang met het aanvankelijk lezen; het vormt een geïntegreerd geheel met het leesonderwijs. Vanaf groep 4 wordt mondeling en schriftelijk taalgebruik min of meer als een apart vak gegeven.

Op school wordt het ‘taal’ genoemd. De leraren gebruiken de methode Taal Op Maat, een moderne taal methode die naast aandacht voor de spelling ook veel aandacht besteedt aan het goed leren luisteren en spreken.

Bij de RSV is altijd veel aandacht besteed aan de spelling van de Nederlandse taal. Waar de methode te weinig oefenstof op niveau biedt wordt extra stof toegevoegd. De methode biedt te weinig diepgang voor wat betreft de redekundige en taalkundige ontleding van zinnen; het behandelt de ontleedstof te speels en te oppervlakkig. Vanaf groep 6 volgen de leerlingen een intensieve ontleedcursus, die leidt tot indrukwekkende resultaten bij de CITO-eindtoets.

Uit contacten met het voortgezet onderwijs blijkt dat leerlingen van hetgeen ze op de RSV leren, de eerste jaren veel profijt hebben.

Het laatste aspect van het onderwijs in de Nederlandse taal, het technisch schrijfonderwijs, ’schoon schrijven’, wordt voorbereid in de kleuterbouw. Oefeningen in het lokaal en de speelzaal ontwikkelen de grove en de fijne motoriek. De oudste kleuters doen op een gegeven moment voorbereidende schrijfoefeningen (schrijfpatronen). In groep 3 wordt elke dag gericht schrijfonderwijs gegeven. De kinderen leren een verbonden lichthellend koordschrift. Vanaf groep 6 ontwikkelen de leerlingen hun eigen handschrift. Echter te allen tijde wordt goede leesbaarheid en een verbonden koordschrift geëist.

Op school wordt met vulpen en blauwe inkt geschreven. In de kleuterbouw worden de kinderen geconfronteerd met begrippen als groot, klein, meer, minder, lang, kort, veel, weinig om ze voor te bereiden op het rekenonderwijs. In groep 3 wordt bij het rekenen nog veel gewerkt met materialen om inzichtelijk rekenen te bevorderen. In de bovenbouw gaan de wereldoriënterende vakken, zoals aardrijkskunde, (vaderlandse) geschiedenis en natuurkennis een steeds belangrijkere rol spelen. Bij de RSV wordt vooralsnog gekozen voor een duidelijke overzichtelijke indeling in de vakgebieden aardrijkskunde, geschiedenis en natuurkennis. Vanzelfsprekend worden door de leraren waar mogelijk de dwarsverbanden voor de leerlingen zichtbaar gemaakt. Het aardrijkskundeonderwijs begint in de groepen 4 en 5 dicht bij huis. Een aantal begrippen wordt aan de orde gesteld: het begrip grondsoort, de grens, de windstreken, enz.

In groep 6 komt de geografie en topografie van ons eigen land aan de orde. Er wordt min of meer provinciegewijs aandacht besteed aan het grondgebruik, aanwezigheid van industrie, bevolking, middelen van bestaan en staatsinrichting van het land. In groep 7 worden op die manier de Europese landen behandeld. Ook in groep 7 speelt de topografie een belangrijke rol. Tenslotte in groep 8 worden de andere werelddelen verkend. De (vaderlandse) ges

chiedenis wordt in chronologische volgorde behandeld. De vertelling is een belangrijk onderdeel van de les. Ook van belang is dat de leerlingen het heden doorgronden door het verleden te kennen. Een zekere verwerving van kennis van feiten en jaartallen vindt systematisch plaats vanaf groep 6.

Bij het onderwijs in de expressieve, creatieve en muzische vakken worden vakleraren ingezet. Zij staan borg voor kwaliteit en voldoende aandacht voor deze vakken. De vakleraar muziek draagt zorg voor vakonderwijs in de groepen 3 t/m 8. In de lessen wordt aandacht besteed aan zingen, muziek beluisteren, bespelen van het schoolinstrumentarium enz. De leerlingen van de bovenbouw krijgen één maal per week les van

de vakleraar handvaardigheid in de handvaardigheidruimte. Voor het bewegingsonderwijs tekenen twee vakleraren: in de groep 3 tot en met 8 de vakleraar gymnastiek (lichamelijke opvoeding) en voor de onderbouwgroepen een vakleraar dansante vorming. De leerlingen van de groepen 4 en 5 krijgen één maal per week schoolzwemmen.

In de bovenbouw, de groepen 6, 7 en 8 wordt structureel huiswerk opgegeven. Het doel van het huiswerk is de leerlingen te leren studeren en ze zo optimaal voor te bereiden op het voortgezet onderwijs.